Sociaal-economisch
De trek uit Duitsland
Er zijn veel publicaties over de Noordduitse “Hollandgänger” die aanvankelijk vooral
als seizoensarbeiders in Nederland hun armoedige bestaan kwamen aanvullen. Deze trek
is begonnen na de 30-jarige oorlog (1618 – 1648) en eindigde in de tweede helft van
de 19de eeuw, toen de lonen in Nederland relatief laag waren.
Zie voor meer informatie http://www.kirchner-raddestorf.de/heimat/regional/fremde.htm
In de immigratiepatronen van de Könemannen in Nederland is dit terug te vinden. De
vroegste immigranten worden gevonden in het midden van de 17de eeuw. Van hen zijn
vermoedelijk geen afstammelingen meer terug te vinden. Omdat dit in het pre-industriële
tijdperk is en de vermeldingen ook betrekking hebben op het platteland, is het aannemelijk
dat het om landarbeiders gaat (de zgn. hannekenmaaiers). De oudste Könemann-immigranten
behoorden waarschijnlijk tot deze categorie.
Een omvangrijke immigratiegolf kwam op gang in het midden van de 18de eeuw. Het zwaartepunt
daarvan is te vinden in Amsterdam e.o. Ik heb nog geen zicht op hun economische activiteiten.
Het was echter in Nederland economisch geen slechte tijd. De handel op de Oostzee
en met Frankrijk en Engeland bleef tot aan het einde van de 18e eeuw voor veel bedrijvigheid
zorgen. Veel Könemannen profiteerden hier maar matig van en leefden soms jarenlang
van de bedeling.
In de 19de eeuw lijken deze Noordhollandse takken (inmiddels Kuneman geheten) zich
er eeuw sociaal gezien bovenop gewerkt te hebben. Naast bakkersfamilies (Haarlem)
treffen we in Amsterdam bijv. kooplieden, advocaten en artsen aan.
Een nieuwe golf van Könemannen trok in de 19de eeuw uit Duitsland naar Rotterdam.
Bijna al deze immigranten waren kleine boertjes uit Warmsen (zie Geografie). Ook
deze immigranten verkeerden aanvankelijk aan de onderkant van de samenleving. Voor
de eerste generatie biedt vooral de suiker- en jeneverindustrie werkgelegenheid,
met beroepen als raffinadeursknecht, brandersknecht, distillateursknecht en sjouwer.
In latere generaties neemt de scholing wel toe, maar in de hele 19de eeuw is de situatie
van deze Rotterdammers weinig florissant.
Rotterdam in de 19de eeuw
Rotterdam had in 1874 ruim 100.000 inwoners. Door de sterke uitbreiding van industrie
en havens bleef de stad in een onvoorstelbaar tempo groeien. In 1890 waren er al
200.000 inwoners. Er werden nieuwe wijken gebouwd buiten het grondgebied van Rotterdam.
Delfshaven, Kralingen en Charlois werden er ook bij getrokken en volgebouwd. Het
grachtenwater werd door de inwoners overal voor gebruikt. De door het slechte voedsel
en het harde werken toch al niet erg gezonde bevolking stierf in grote aantallen
aan de cholera en pokken. De eerste cholera-epidemie breekt uit in juli 1832. In
dat jaar bezwijken 1741 mensen aan de ziekte. De cholera-epidemie van 1848 tot 1849
kost aan ruim 2000 mensen het leven. Tijdens de epidemie van 1853-1854 sterven 1370
mensen.
Tot de ontdekking van de cholerabacil was een adequate behandeling van de ziekte
niet mogelijk. Wel besefte men dat schoon en zuiver drinkwater van levensbelang is.
In Rotterdam besloot het stadsbestuur daarom na de epidemie van 1854 om de waterhuishouding
in de stad te verbeteren. De nieuwe waterhuishouding zorgde ook voor enige verbetering
in preventie van cholera. De epidemie van 1866 was minder hevig dan die van 1848-1849.
Landelijk gezien behoorde Rotterdam niet tot de zwaarst getroffen gebieden. Rotterdam
werd daarentegen wel weer zwaar getroffen tijdens de pokkenepidemie van 1871 en 1872,
waarbij enkele duizenden inwoners van de Maasstad het leven lieten. De Spaanse griep
laat in 1918 een mortaliteitspiek zien. In mijn database zijn deze epidemieën overigens
niet als sterftepieken te herkennen.
Kindersterfte was een veelvoorkomend fenomeen. Volgens de statistieken van het CBS
overleden in 1900 (het begin van de registratie), 15% van de kinderen voor hun eerste
verjaardag. In de 19de eeuw lag dat percentage in de kringen waarvan onze voorouders
deel uitmaakten, zeker hoger. Er zijn verschillende gezinnen waar de kindersterfte
rond de 50% ligt. Het is dan niet ongebruikelijk dat een nieuw geboren kind de naam
krijgt van een eerder overleden broertje of zusje. Het meest trieste voorbeeld is
het gezin van Hendrik Willem Könemann en Wilhelmina J. Singerling, waarin in de periode
1888 – 1897 viermaal een kind de naam Andries Antony kreeg. Allen overleden.